Al tientallen jaren is de aalscholver een van de symbolen van de door de mens bedreigde Europese fauna. Door intensieve jacht, vervuiling en pesticiden was deze soort in de jaren zeventig in veel delen van het continent bijna verdwenen. De situatie veranderde in 1979 met de introductie van de Vogelrichtlijn van de Europese Unie, een van de eerste belangrijke instrumenten voor de bescherming van de biodiversiteit.

Sindsdien heeft de aalscholverpopulatie een constante groei gekend. Volgens schattingen die in het Europese debat zijn gerapporteerd, is het aantal gestegen van minder dan 50.000 individuen naar bijna 2 miljoen exemplaren verspreid over meren, rivieren, kustgebieden en wetlands. Een succes op het gebied van natuurbehoud dat vandaag de dag, paradoxaal genoeg, de reden is geworden voor een nieuwe controverse.

Het verzoek van de tien Europese landen

De kwestie bereikte Brussel via een brief gericht aan de Europese commissaris voor Milieu. De vertegenwoordigers van Estland, Zweden, Finland, Letland, Litouwen, Slowakije, Kroatië, Polen, Tsjechië en Roemenië ondertekenden het en riepen op tot een herziening van de beschermingsstatus van de soort.

Volgens de ondertekenaars zou de toename van het aantal aalscholvers toenemende schade hebben veroorzaakt aan de professionele visserij- en aquacultuurfaciliteiten. Volgens hun schatting zou elk exemplaar tot 180 kilogram vis per jaar consumeren, waarbij de economische verliezen voor de Europese visserijsector op ongeveer 350 miljoen euro worden geschat.

Het verklaarde doel is om de bevolking terug te brengen naar een niveau dat als “ecologisch en economisch duurzaam” wordt beschouwd, waardoor de weg wordt vrijgemaakt voor bredere vormen van controle, inclusief de mogelijkheid van regelmatige ruiming.

De tegenpartij: “Het is geen oplossing”

Het voorstel stuitte echter op sterke tegenstand van milieuverenigingen en een deel van de wetenschappelijke gemeenschap. Veel experts wijzen erop dat de aalscholver een van de belangrijkste herstelverhalen van de Europese wilde dieren vertegenwoordigt en dat een verzwakking van de bescherming een gevaarlijk precedent zou kunnen scheppen.

Verschillende geciteerde studies beweren ook dat aanzienlijke schade aan vispopulaties vooral beperkt blijft tot specifieke situaties, zoals kleine waterwegen of intensieve landbouw, terwijl in grote natuurlijke ecosystemen de impact veel beperkter zou zijn.

Milieuactivisten wijzen er ook op dat de Europese wetgeving al vrijstellingen en gerichte interventies toestaat wanneer concrete schade wordt aangetoond. Om deze reden zijn zij van mening dat een algemene verlaging van de beschermingsmaatregelen buitensporig is.

Dit is niet hoe het probleem wordt opgelost

De confrontatie met de aalscholver komt na die waarbij andere beschermde soorten betrokken waren, zoals de wolf, en zou veel bredere gevolgen kunnen hebben. Als Brussel de verzoeken van de tien landen zou aanvaarden, zou er een nieuw hoofdstuk openen in de relatie tussen natuurbehoud, economische belangen en natuurbeheer.

Het probleem kan echter niet worden opgelost door dieren te ruimen. Door de beschermingsmaatregelen te verminderen dreigt de aandacht te verschuiven van structurele oorzaken, zoals het beheer van aquatische ecosystemen en productieactiviteiten, naar een onmiddellijke maar niet erg sluitende oplossing op de lange termijn.

Het probleem wordt niet opgelost door dieren te doden, maar eerder door in te grijpen met strategieën voor evenwicht tussen menselijke activiteiten en het behoud van de biodiversiteit. De Europese Commissie heeft nu de taak een complex besluit te evalueren, dat een belangrijk precedent zou kunnen worden voor het toekomstige beheer van wilde dieren in Europa.

Mogelijk bent u ook geïnteresseerd in: