Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft een krachtig standpunt ingenomen over de kwestie van genetisch gemodificeerde organismen: lidstaten hebben het volste recht om de teelt van GGO’s op hun grondgebied te verbieden, zelfs als deze op Europees niveau al zijn toegestaan.
De uitspraak komt na jaren van juridische strijd en erkent dat de teelt van GGO’s niet alleen een technisch-wetenschappelijke kwestie is, maar raakt aan dimensies die nauw verbonden zijn met landgebruik, landbouwstructuren en de bescherming van lokale ecosystemen.
De zaak die tot het vonnis heeft geleid
Het begon allemaal met de aantrekkingskracht van een Friulische boer die MON 810-maïs had verbouwd – een genetisch gemodificeerde variëteit geproduceerd door Monsanto – ondanks het verbod dat in Italië van kracht was. De autoriteiten hadden de vernietiging van de gewassen bevolen en boetes van 50.000 euro opgelegd.
De boer betwistte echter de legitimiteit van het verbod, met het argument dat als een GGO goedgekeurd is voor de verkoop, de teelt ervan niet mag worden verboden.
De kwestie kwam terecht bij de Italiaanse rechtbanken, die het Europese Hof vroegen zich uit te spreken over de geldigheid van de procedure die staten in staat stelt de teelt van specifieke GGO’s te beperken of te verbieden.
Hoe het Europese mechanisme werkt
Sinds 2015 heeft de Europese Unie een procedure ingevoerd waarmee lidstaten de uitsluiting van hun grondgebied kunnen aanvragen van de vergunning voor de teelt van een GGO. Het proces is relatief eenvoudig: de staat dient een verzoek in, dat wordt doorgegeven aan de vergunninghouder (in dit geval Monsanto). Als er binnen 30 dagen geen bezwaar wordt ontvangen, wordt de wijziging in de geografische reikwijdte automatisch van toepassing.
In het geval van maïs MON 810 hebben 19 lidstaten, waaronder Italië, verzocht om uitsluiting van de teelt. Monsanto maakte geen bezwaar en gaf feitelijk stilzwijgend toestemming voor de geografische beperking van de autorisatie.
De zin
De Luxemburgse rechters erkenden dat de Europese wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt in complexe sectoren zoals de teelt van GGO’s, die niet alleen wetenschappelijke maar ook politieke, economische en sociale evaluaties vereisen.
De uitspraak verduidelijkt enkele fundamentele punten:
- Het verbod is niet in strijd met het vrije verkeer van goederen: een verbod op de teelt weerhoudt bedrijven er niet van om producten te importeren die GGO-maïs bevatten, noch verhindert de consument deze te kopen. Het verbod heeft alleen gevolgen voor de lokale landbouwproductie
- Er is geen sprake van discriminatie tussen boeren: de lidstaten behouden het recht om verschillende keuzes te maken op basis van hun territoriale kenmerken. De teelt is gekoppeld aan landgebruik en lokale landbouwstructuren, waardoor de situatie van boeren in verschillende landen niet direct vergelijkbaar is
- De procedure respecteert het evenredigheidsbeginsel: het mechanisme biedt staten flexibiliteit zonder de gemeenschappelijke Europese vergunningsprocedure in gevaar te brengen, die nog steeds gebaseerd is op de beoordeling van risico’s voor de gezondheid en het milieu
- De toestemming van de eigenaar is doorslaggevend: wanneer het bedrijf dat de vergunning heeft (zelfs stilzwijgend) akkoord gaat met de geografische beperking, kan er geen sprake zijn van schending van het recht op vrij verkeer
Wat verandert er eigenlijk
De uitspraak bevestigt dat staten GGO’s kunnen verbieden zonder dat ze specifieke risico’s voor de gezondheid of het milieu hoeven aan te tonen – deze aspecten blijven op Europees niveau beoordeeld. De redenen kunnen betrekking hebben op doelstellingen van het milieubeleid, territoriale planning, landgebruik, sociaal-economische gevolgen, landbouwbeleid of andere redenen van openbaar belang.
Het is belangrijk op te merken dat deze flexibiliteit alleen geldt voor de teelt. De wetenschappelijke evaluatie van de veiligheid van GGO’s en de regels voor het op de markt brengen ervan blijven op Europees niveau uniform, juist om de werking van de interne markt te garanderen.
Italië heeft altijd een zeer voorzichtige positie ingenomen ten aanzien van GGO’s, ook vanwege de rijkdom en diversiteit van zijn landbouwerfgoed. Het verbod op de teelt van MON 810-maïs maakt deel uit van een bredere keuze om traditionele producties en agrarische biodiversiteit te beschermen.
