Vanaf 1 januari 2026 zal Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2246 van de Commissie in werking treden, tot wijziging van de eerdere Verordening (EU) 2022/932 met betrekking tot minimale controlefrequenties voor verontreinigende stoffen in voedsel. Een ogenschijnlijk technische verandering, maar die feitelijk raakt aan een heel belangrijk onderwerp: voedselveiligheid.
De controles in kwestie hebben betrekking op het zoeken naar chemische verontreinigingen in voedingsmiddelen, zoals vereist door Verordening (EU) 2023/915, waarin de maximaal toegestane niveaus van potentieel schadelijke stoffen zijn vastgelegd. Deze omvatten bijvoorbeeld:
Het zijn stoffen die, als ze de wettelijke limieten overschrijden, een risico kunnen vormen voor de menselijke gezondheid. Daarom worden de controlefrequenties gebruikt om na te gaan of de producten die op de markt worden gebracht, de veiligheidsdrempels respecteren.
Wat verandert
De nieuwe verordening verlaagt de minimumfrequentie van controles op bepaalde categorieën voedingsproducten, met name onbewerkt vlees en verse eieren. De nieuwe drempels, van toepassing vanaf 2026, zijn als volgt:
Bovendien wordt voor eieren de verplichting van een minimale bemonsteringsfrequentie van 10% voor controles op zware metalen, zoals voorzien voor andere productgroepen, afgeschaft.
Omdat de controlefrequentie afneemt
De redenen voor de verlaging worden rechtstreeks uitgelegd in de nieuwe verordening, waarbij de Commissie verwijst naar de door de lidstaten verzamelde gegevens en de ervaringen van de afgelopen jaren. In het document staat dat:
De minimale controlefrequenties bedoeld in Uitvoeringsverordening (EU) 2022/932 worden bepaald op basis van risico. Uit de ervaring die is opgedaan met de toepassing van deze verordening blijkt dat voor bepaalde producten de minimale controlefrequenties niet toereikend zijn.
Wat onbewerkt vlees betreft, specificeer:
Uit door de lidstaten verzamelde gegevens blijkt dat er bij onbewerkt vlees van runderen, schapen, geiten, varkens en pluimvee een laag risico bestaat op niet-naleving van Verordening (EU) 2023/915 van de Commissie. Het is daarom passend de minimale controlefrequentie voor dergelijk vlees, met inbegrip van eetbare slachtafvallen, te verlagen.
Voor eieren voegt hij eraan toe:
Uit door de lidstaten verzamelde gegevens blijkt ook dat er in het geval van eieren een laag risico bestaat op niet-naleving van Verordening (EU) 2023/915.
Vandaar de beslissing om de bemonstering voor zware metalen verder te verminderen:
De eis van een minimale bemonsteringsfrequentie van 10% (…) voor controles op diverse metalen zou niet moeten gelden voor de categorie ‘kippeneieren en andere verse eieren’.
De Commissie legt uit dat de herziening voortkomt uit het evenredigheidsbeginsel: als de gegevens een laag risico op besmetting aantonen, is het niet nodig om intensieve controles uit te voeren zoals in het verleden. In de praktijk gaat het om het herverdelen van de monitoringmiddelen naar producten en gebieden waar het risico op niet-naleving het grootst is.
Een twijfelachtige keuze
Het verminderen van de controles omdat “tot nu toe geen onregelmatigheden zijn geconstateerd” lijkt op administratief vlak misschien redelijk, maar het roept enige zorgen op in termen van consumentenbescherming. Verontreinigingen – van zware metalen tot chemische residuen – komen niet met wiskundige regelmaat voor. Ze kunnen afhankelijk zijn van omgevingsfactoren, fokpraktijken, menselijke of industriële fouten.
Het verlagen van de frequentie van de controles betekent in feite een vermindering van de mogelijkheid om eventuele problemen tijdig op te merken.
En als het risico vandaag laag is, kunnen we dan echt uitsluiten dat het morgen nog groter wordt?
Vanaf 2026 zullen we in ieder geval nog minder controles hebben op vlees en eieren, producten die dagelijks op onze tafels belanden. Het besluit is gebaseerd op statistische gegevens en een efficiëntiebeginsel, maar de vraag blijft: is het werkelijk gepast om onze waakzaamheid over de controles van deze producten te verminderen?
